Kerstbomenverkoper Piet Vreugdenhil

Piet Vreugdenhil
Piet Vreugdenhil

De kerstbomen zijn bijna op in Middelburg en Terneuzen. Dat zegt kerstbomenverkoper Piet Vreugdenhil. Volgens hem is de verkoop van de bomen veel eerder begonnen en doordat mensen zelfs al voor Sinterklaas hun boom in huis haalden, valt er voor ‘late’ mensen nu weinig meer te halen.

Normaal wachtten mensen tot na 6 december voordat ze een boom aanschaffen, maar de laatste tijd is dat steeds vroeger. Volgens Vreugdenhil kwamen de eerste mensen zelfs al eind november om hun kerstboom.

Genoeg
Vreugdenhil verkoopt kersbomen op drie locaties in Zeeland: in Hoedekenskerke, Middelburg en Terneuzen. Kerstboomverkopers in andere delen van Zeeland melden nog genoeg kerstbomen te hebben.

Leeg
Vreugdenhil denkt eraan om zijn verkooppunten te sluiten. In Hoedekenskerke blijft hij misschien nog even open, maar in Middelburg en Terneuzen is het klaar. “Ik had één aanhanger nog vol en die is bijna leeg, dus het is echt de moeite niet meer om te blijven staan hier. De keuze voor de mensen is dan te beperkt”, vertelt Vreugdenhil.

Piet Vreugdenhil ziet veel creativiteit in het Westland

Piet Vreugdenhil
Piet Vreugdenhil

‘We zit­ten met ons col­lege van bestuur op de tweede verdieping van het Hooghe Land­huys in Naald­wijk. Als ik uit het raam van mijn werkkamer kijk zie ik scholen, kan­toren, kerken, zor­gin­stellin­gen, huizen en de veil­ing. Daar hebben wij als school alle­maal mee te maken. Net als met kunst, cul­tuur en erf­goed, die overal mee ver­bon­den zijn.’

Dicht­bij en herken­baar
‘Er is veel cre­ativiteit in West­land, die moeten we bin­nen de school halen. Daar­voor zoeken we samen­werk­ing met part­ners; dicht­bij en herken­baar. Juist voor onze leer­lin­gen. Daar ligt meteen een wed­erz­i­jds belang. Diezelfde kinderen gaan in hun vrije tijd ook naar the­ater­les, ze zin­gen, dansen of leren een instru­ment bespe­len. Maar ze zijn later miss­chien ook weer de docen­ten of lei­d­inggeven­den van de West­landse cultuuraanbieders.’

West­landse Canon
‘Het min­is­terie van OCW kiest de komende jaren voor ver­sterk­ing van cul­tu­ure­d­u­catie op school: Cul­tu­ure­d­u­catie met kwaliteit. Daar­bij moeten we vooral heel prag­ma­tisch aan het werk gaan. Met een klein groepje mensen, dat snapt dat het om samen­werken gaat en begri­jpt dat het kind cen­traal staat, een pro­gramma maken waarin het aan­bod voor kinderen van groep 1 tot en met groep 8 en ook naar het voort­gezet onder­wijs aan elkaar zijn ges­meed. Ik zie daar­bij een West­landse Canon als waarde­volle kap­stok. Met elkaar benoe­men welke schilder­i­jen, muziek­stukken, boeken, toneel­stukken, gebouwen en beelden die kinderen moeten ken­nen. Ook ervaren wat het is om bijvoor­beeld te dansen, ritmes te maken of te schilderen hoort hier natu­urlijk bij. Door daarin onder­w­er­pen uit West­land op te nemen maak je het herken­baar en breng je het dichter bij de leer­lin­gen. We moeten daar­voor een meth­ode ontwikke­len en er met elkaar in investeren. Scholen, kun­stin­stellin­gen en ook de gemeente.’

Cul­tu­ur­coach
‘De ervarin­gen die we met de cul­tu­ur­coach hebben opgedaan zijn hier­bij heel bruik­baar. Om te begin­nen is de com­bi­natiefunc­tionaris Nancy Daniëls een herken­baar per­soon voor de leer­lin­gen. Ze kun­nen haar gewoon op straat tegenkomen. De cul­tu­ur­coach is ook een vanzelf­sprek­ende verbind­ing naar cul­tu­u­raan­bod in de vrije tijd. Daar­naast is de cul­tu­ur­coach een voor­beeld en inspi­ra­tor voor onze leerkrachten. Ze raken ent­hou­si­ast voor kunst en gaan vra­gen: “hoe doe je dat? Kan ik daar zelf meer mee doen in mijn klas?” Helaas con­sta­teer ik dat de leerkrachten die nu van de PABO komen weinig cul­turele bagage in hun oplei­d­ing hebben meegekre­gen. Dat zou gewoon weer terug moeten komen. Zolang dat er nog niet is moeten we de samen­werk­ing en uitwissel­ing van ken­nis met de kun­stin­stellin­gen in onze omgev­ing benut­ten. Laten we elkaar opzoeken in geza­men­lijke ambitie en gedreven­heid en aan de slag gaan!’

Cul­tu­ure­d­u­catie met kwaliteit
‘Kunst en cul­tuur zijn belan­grijke thema’s bin­nen onze scholen. Gek genoeg heeft de nota Cul­tu­ure­d­u­catie met kwaliteit niet direct onze eerste pri­or­iteit. Er wordt op zo veel onder­wi­jster­reinen kwaliteit van ons gevraagd: de vakken, passend onder­wijs, aan­dacht voor leer– en opvoed­ing­sprob­le­men, burg­er­schap en ook kunst en cul­tuur. Ter­wijl de bud­get­ten min­der wor­den. Dit maakt dat we als scholen in een lastige con­text werken en keuzes moeten maken. Een belan­grijke kans voor ons is dat we in onze omgev­ing sterke en ini­ti­atiefrijke cul­tu­u­raan­bieders zien zoals Muziekschool West­land, Dario Fo, onderne­mers in de kunst en the­ater­school Kop­eren Kees, maar zeker ook de muziekv­erenigin­gen. Daar kun­nen we ver­sterk­ing zoeken door samen te werken. We hebben dit expli­ciet opgenomen in ons belei­d­splan. We moeten als scholen en kun­stin­stellin­gen elkaar weten te vin­den. In die samen­werk­ing kunnen we dan ook in West­land de ambities van Cul­tu­ure­d­u­catie met kwaliteit oppakken.’

Piet Vreugdenhil zet zich in voor schuilplaatsen in Bangladesh

piet_vreugdenhil_002
Piet Vreugdenhil

Acht keer is hij in Bangladesh geweest en hij vermoedt dat hij niet nog een negende keer zal gaan. CDA-raadslid en Bennekommer Piet Vreugdenhil is in oktober bij de opening van ‘zijn’ vijfde en laatste cycloon schuilplaats geweest. In zo’n schuilplaats vinden twee- tot drieduizend mensen een veilig onderkomen als opnieuw een vloedgolf alles in het laaggelegen land wegvaagt. “Veel mensen weten het helemaal niet, maar in 1970 zijn daar anderhalf miljoen mensen om het leven gekomen bij een natuurramp”, zo zegt Vreugdenhil. “En ook bij vloedgolven tot wel zes meter hoog, veroorzaakt door cyclonen in de Golf van Bengalen, zijn de laatste jaren tienduizenden mensen in Bangladesh door het water om het leven gekomen.”

Piet Vreugdenhil (67) is van origine weg- en waterbouwkundige. Hij was 48 toen hij een goed betaalde baan bij Rijkswaterstaat verruilde voor een baan bij Interserve-Nederland, de Nederlandse afdeling van een wereldwijde zendings- en ontwikkelingsorganisatie om die een betere structuur te geven, ook financieel. In vier jaar tijd wist Vreugdenhil de organisatie beter op de kaart te zetten. In die periode maakte hij, omdat werkers van Interserve daar aan het werk waren, kennis met Bangladesh en met de grote problemen van dat land.

Het zuiden van Bangladesh is één grote, vochtige delta. Het is ondoenlijk om al het bedreigde gebied met dijken te omheinen, het land is daarvoor bovendien veel te arm. Om mensen toch te beschermen is de oplossing gezocht in de bouw van zogeheten ‘Cyclone Shelters’, schuilplaatsen gebouwd op hoge betonnen palen. Opgestuwd zeewater en hoge golven kunnen tussen de diep gefundeerde betonnen palen stromen, terwijl de mensen in het gebouw op verdiepingen bovenop die palen droog en veilig blijven.

Het geld voor vijf van dergelijke schuilplaatsen heeft Vreugdenhil persoonlijk bijeengesprokkeld. Zo’n gebouw kost daar ruim 100.000 euro. De schuilplaatsen worden ook gebruikt als plaats van samenkomst voor de lokale gemeenschap. En er wordt onderwijs gegeven en in de shelters is ook ruimte voor medische zorg. Vreugdenhil: “Je moet ervoor zorgen dat de gebouwen naast het bieden van een schuilplaats ook verder nut hebben, dat ze worden gebruikt. Daardoor zien de mensen zelf ook in dat onderhoud belangrijk is. Ik heb ook shelters van andere organisaties gezien die totaal verwaarloosd waren. Dat is erg jammer en vaak onnodig.”

Raadslid Piet Vreugdenhil

piet_vreugdenhil_001.pngIets over mijzelf
Ik ben gehuwd, 62 jaar, vader van 5 kinderen en nu ik dit schrijf grootvader van 3 kleinzoons. Ik heb weg- en waterbouwkunde gestudeerd. Na mijn studie en militaire dienst heb ik 28 jaar bij Rijkswaterstaat gewerkt in verschillende functies door het hele land en daarna 4 jaar als directeur van een zendings- en ontwikkelingsorganisatie. Van 1994 tot 2002 was ik directeur van de Protestants Christelijke Stichting voor Maatschappelijk werk en Gezinsverzorging (PCSMG) te Ede. Sinds januari 2002 maak ik gebruik van een pensioenregeling. Ik heb naast het raadslidmaatschap nog verschillende bestuurlijke functies. Zo ben ik onder meer bestuursvoorzitter van een verzorgingshuis en bestuurslid van een aantal plaatselijke stichtingen, zoals het RIO Gelderse Vallei. Ook ben ik actief in ontwikkelingssamenwerking en doe een ontwikkelingsproject in Bangladesh.

Mijn missie (voor Ede)
Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 6 maart 2002 ben ik gekozen tot lid van de gemeenteraad van Ede en maak ik deel uit van de CDA-fractie. Het werk als raadslid is niet nieuw voor mij. Van 1986 tot 1994 was ik voor het CDA raadslid in Wassenaar. Door verhuizing naar Bennekom kwam daar een eind aan.

“Als raadslid wil ik volksvertegenwoordiger zijn van en dienstbaar zijn aan de bevolking van Ede. En ik wil daarop aanspreekbaar zijn.”

Dienstbaar zijn
Als raadslid wil ik volksvertegenwoordiger zijn van en dienstbaar zijn aan de bevolking van Ede. En ik wil daarop aanspreekbaar zijn. De belangen van de bewoners van het mooie dorp Bennekom gaan mij natuurlijk zeer ter harte. Ik maak deel uit van de raadscommissie Beheer Fysieke Omgeving (BFO). Daarnaast ben ik voorzitter van de raadscommissie Maatschappelijke Zaken. Ook ben ik secretaris/penning-meester van de CDA-fractie in Ede. Ik voel me verbonden met de christen-democratische politieke uitgangspunten van het CDA en wil me als christen-raadslid laten leiden door de Bijbelse boodschap. Zo wil ik dienstbaar bezig zijn in het besef dat de gemeenteraad als hoogste orgaan van de gemeentelijke overheid samen met alle burgers van Ede verantwoordelijk is voor een goede en leefbare plaatselijke samenleving.

De locatie
Voor de locatie van de foto heb ik gekozen voor de Oude Kerk of St. Alexanderkerk in Bennekom. De toren is op de foto te zien. De kerk staat midden in het dorp en fungeert als blikvanger. Al van ver zie je de toren en de spits wijst naar de hemel. Ik heb wat met deze kerk. Het oudste gedeelte dateert uit het begin van de 14e eeuw. Eeuwenlang hebben generaties gelovigen in deze kerk hun geloof beleden, hebben er in gezongen en gebeden. In deze lange rij gelovigen schaar ik mij ook. Ik ben verbonden aan de protestantse gemeente die op zondag in de kerk samenkomt.

Piet Vreugdenhil

Waar lag Vreugdenhil?

Bron: inoudeansichten.nl

In Naaldwijk komen verschillende (veld)namen voor die een oude historie hebben, zoals het boerderijtje Bon Fut oftewel Bonaventura (Goede verwachting, verklaring van Jan Emmens). Het was gelegen op de hoek van het Galgepad / ‘s-Gravenzandseweg, waarvan het bijbehorende land ook Bon Fut heette. Dit land liep ongeveer tot het huis van timmerman Brugmans(*) aan de ‘s-Gravenzandseweg. Een andere veldnaam waar we wat uitgebreider bij stil zullen staan is Vreugdenhil. Vreugdenhil, ook gelegen aan de ‘s-Gra­venzandseweg, wordt al genoemd in het midden van de 16e eeuw. Het was een stuk land gelegen aan beide zijden van de ‘s-Gravenzandseweg.  Aan de noordkant van de weg grensde het aan een kleine boomgaard, die in 1495 Patijnenburg wordt genoemd en aan het Vreugden­hilslaantje, nu de Willem van Hooffstraat. Aan de zuidkant van de weg lag Vreugdenhil tussen het Zuideinde en het Shell tankstation Van de Ende.

De naam Vreugdenhil laat zich mogelijk als volgt verklaren: in de kuststrook van West-Nederland met zijn duinen, komt de naam hil regelmatig voor, zoals in de plaatsnaam Hillegom, Hilna­re bij Den Delp in Wassenaar en Vreugdenhil in Naaldwijk. Hil(l) heeft hier de betekenis van natuurlijk gevormde heuvel, zoals de Engelsen ook deze betekenis nu nog kennen. De (Vreug­den)hil of heuvel op de “Geest van Naaldwijk” past in de natuurlijke gesteldheid van vroeger. Het Staelduinsebos kan men zich hierbij voor de geest halen. Geografisch gezien is het aannemelijk, dat Vreugdenhil een geheel gevormd heeft met Patijnenburg. In een transport uit 1561 vinden we dan ook: “de kleynen boemgaert genaempt Patynenburch mit die huysinghe daer in­ne staende”, die in het kaartboek van Naaldwijk uit 1632 nog staan getekend. In transpor­takten uit de 16e eeuw wordt Vreugdenhil ook apart genoemd, zoals in 1577 in de omschrij­ving van “een gemene laen toe up Vroichdehill” M. De gemeenschappelijke laan is het Vreug­denhilslaantje, de latere Willem van Hooffstraat. Een eigenaar en/ of bewoner van de “hil” met de naam Vreugde kan de naamgever van dit stukje Naaldwijk zijn geweest en de veldnaam Vreugdenhil is daarmee geboren. Of de naamgeving historisch juist is, is daarmee niet voor 100% aangetoond. Aannemelijk is wel, dat op genoemde plaats nog voor 1600 de oudst bekende Vreugdenhil, Jacob Jacobszn getrouwd met Heiltje Willems, woonde. Hun zoon noemde zich Ary Jacobsz (van) Vreugdenhil.

We gaan nu een stukje verder in de tijd. Jan Vreugdenhil, wonend op de ‘s-Gravenzandseweg op Vreugdenhil(!), vertelt u anno 1998 een mooi verhaal over zijn familie en verrassend ook over een stukje Naaldwijk namelijk Vreugdenhil. “Mijn overgrootvader Jan Vreugdenhil, woonde midden vorige eeuw in de Oranjepolder in het al eeuwen bestaande Oude Posthuis, op de hoek van de Pettendijk. Daarom werd hij in familiekring ook altijd opa (en oma) van ’t Hoekie genoemd. Hij bezat daar een klein boerderijtje. Zodoende ging hij regelmatig met paard en wagen naar de veemarkt in Delft. Al gauw werd hem gevraagd als hij toch naar Delft ging om wat spullen mee te brengen. Dat was eigenlijk het begin van de bodedienst Vreugdenhil. Zijn zoon, mijn opa Jan Vreugdenhil, volgde hem op en deze vestigde zich na zijn trouwen in 1900 aan de ‘s-Gravenzandseweg. Opa Jan woonde eerst in de huisjes aan de noordkant van de weg op de plaats van de latere Raiffeisenbank. De geschiedenis herhaalt zich dus. De zuidkant van de ‘s­Gravenzandseweg was nog niet bebouwd. Op de hoek van ‘s-Gravenzandseweg en Zuideinde lag de tuin van Jan Valstar. Bouwbedrijf Nowee wilde daar de eerste huizen bouwen en opa Jan hoorde dat. Hij ging erop of en vroeg Nowee, de grootvader van de laatste eigenaar Wil No-wee, of deze er geen woonhuis met garage kon zetten.

Voor het bedrag van f 1500,- werd het gebouwd en op I april 1906 werd het pand ‘s-Gravenzandseweg 9 betrokken. De koopakte vermeldde overigens dat de bewoners verplicht waren om hun beerput (riolering bestond niet) te legen op de tuin van Jan Valstar. Hiervoor zat speciaal een deur in de achtermuur van de tuin. Dit heeft tot 1909 geduurd. Daarna is het tuinland verkocht en is de voormalige oude veiling van Naaldwijk hierop gebouwd. Opa Jan reed net als zijn vader 4 keer per week met paard en wagen naar Delft heen en weer. De dinsdag en vrijdag werden gebruikt om pakjes per fiets op smalle tuinderspaadjes weg te brengen. Omdat hij het steeds drukker kreeg moesten de kinderen, zoals toen gebruikelijk, al gauw meehelpen. Zodoende zat mijn vader Piet Vreugdenhil al vroeg op de bode(paarden)wagen. Na schooltijd ging hij `s-middags mijn opa lopend tegemoet, meestal tot Honselersdijk of Kwintsheul. Na het verlaten van de lagere school kwam hij voorgoed op de bodewagen. Was mijn opa een paardenliefhebber, mijn vader was dat veel minder. Vaak genoeg heeft hij tegen zijn zus Jannetje gezegd: “Jannetje als jij nou de paarden naar de wei brengt dan ga ik wel de afwas doen”. Vader Piet heeft bij mijn opa dan ook zijn kop gek gezeurd om over te schakelen op een vrachtauto. En ja boor in 1928 werd dan de eerste vrachtauto gekocht. Mijn vader is zijn hele leven in hart en nieren bode gebleven. Zelfs toen het bodebedrijf beëindigd werd in januari 1986, bleef hij nog vele ritjes maken richting Delft.

Vader Piet heeft tot 1988 aan de ‘s-Gravenzandseweg gewoond en is in 1989 overleden”.

Jan Vreugdenhil en Harry Groenewegen