Theo Vreugdenhil vertrok naar Irak en leefde een week met vluchtelingen

theo_vreugdenhil_003

Theo Vreugdenhil (met duim omhoog) en Albert Groothedde (tweede van rechts)

Vanuit het veilige Nederland geld doneren en bidden voor de 1,8 miljoen voor IS gevluchtte mensen, dat deden Theo Vreugdenhil (23) en zijn zwager Albert Groothedde (32) al een tijd. Maar het verlangen om meer te doen werd sterker. Na weken nadenken en research ging de kogel door de kerk: de twee vertrokken met 150 kilo kleding naar het vliegveld. Bestemming: Irak. Na een week keerden ze tot grote opluchting van familie terug, voldaan over wat er bereikt is, maar moedeloos over de situatie.

“Over Irak hoor je in Nederland alleen: moeten we nou straaljagers sturen of niet? Maar ondertussen zijn er honderdduizenden vluchtelingen in een uitzichtloze situatie beland”, begint Vreugdenhil, naar eigen zeggen door de indrukken nog met veel chaos in zijn hoofd, aan HP/De Tijd zijn verhaal. “Bij mijn zwager groeide het verlangen om iets te doen en bij mij speelde het ook. We dachten: je kunt veel mooie woorden hebben, maar het is veel belangrijker om ook daadwerkelijk van betekenis te zijn.” Op een gegeven moment werd er dan ook contact opgenomen met kerken in Irak. Die toenadering werd met veel enthousiasme ontvangen. “Ze zeiden gelijk: ‘kom alsjeblieft, we zijn moedeloos.’ Die mensen zijn natuurlijk al weken zeer intensief aan het zorgen voor vluchtelingen. We voelden dat we echt nodig waren en besloten om te gaan.”

De beslissing leidde tot de nodige ongerustheid in Vreugdenhil’s nabije omgeving. “Vrienden zeiden: je bent écht gek. Ze vonden het mooi dat ik iets wilde doen, maar dit vonden ze een stap te ver. Mijn vrouw begreep het wel, en we voelden vertrouwen van God. We hadden het bovendien goed georganiseerd en konden verblijven bij de christelijke gemeenschappen waar we contact mee hadden. Maar inderdaad: het is uiteindelijk onveiliger dan in Nederland blijven.”

Wat volgde was een week lang overnachten in ondergrondse geheime kerken om te bidden, eten en vooral te praten met vluchtelingen. “Je ziet een hele hoop ellende, wat natuurlijk heel erg veel indruk maakte. Het voordeel was: we konden gelijk aan de slag om er iets aan te doen, omdat we mee konden draaien met een team vrijwilligers.”

Vreugdenhil en Groothedde hadden een veel babykleding meegenomen en gingen ermee naar een plek ‘waar het echt vreselijk was’. “We dachten dat we het zelf wel een beetje konden coördineren, maar het liep volledig uit de hand. Eenmaal daar werden bestormd door schreeuwende mensen en ze raakten aan het vechten met elkaar. We zijn in een kamertje gaan zitten en hebben de deur op slot gedaan, om ze vervolgens één voor één binnen te laten”, aldus Vreugdenhil. Dan klinkt een diepe zucht. “De mensen zagen er zo ontzettend hopeloos uit. Met één setje kleren zijn ze gevlucht. Naar de auto rennen en gaan. Een paspoort, bankgegevens of computer hebben ze niet meer. Eerst keken ze dagelijks televisie op hun flatscreen tv, nu leven ze naast hun vluchtauto.”

theo_vreugdenhil_001

Een westerling die er niet meteen weer vandoor ging is een zeldzaamheid in Erbil en omgeving. “Ze vonden het heel bijzonder om Europeanen te ontmoeten die echt tijd voor ze nemen. Ze zien wel eens westerlingen die geld uitdelen en vervolgens gelijk weggaan, of journalisten die hun ellende aanhoren om er iets over te schrijven, maar niet iemand die ze ziet als een broer of zus, een gelijke. Pas na een kwartier hadden ze door: deze mensen willen bij ons zijn en met ons hun leven delen. Dat vonden ze heel apart, maar ook bemoedigend.”

Veel journalisten kwamen de twee niet tegen. “Niet één. Maar wel een aantal welzijnswerkers.” Ook de wereld van de vluchtelingen en de bewoners van Erbil zijn totaal verschillend, terwijl ze momenteel in dezelfde stad verblijven. “De inwoners zie je echt niet tussen de vluchtelingen. Als je er rondloopt zie je aan de ene kant twintig Ford Mustangs rijden van mensen uit de olie-industrie of die bij de ambassade werken, maar als je over het muurtje kijkt zie je een park dat vol staat met tenten. Het leven gaat aan de ene kant in Erbil verder met huwelijken en feestjes, maar aan de andere kant is er grote ellende. Het is heel bizar om het grote verschil te zien.”

Behalve Erbil werd ook Duhok, een stad met veelal moslims als bevolking aangedaan. “Dat hebben we nogal onderschat. “Tijdens de eerste nacht gingen we naar een heel goedkoop hotelletje van 10 dollar per nacht. We waren net ingecheckt en appten naar onze vrouwen, toen er ineens paar jongemannen met ons kwamen praten. Ze oogden heel geïnteresseerd, maar toch vertrouwden we het gaandeweg het gesprek niet helemaal. We besloten om niet te vertellen dat we christenen waren uit Nederland. Even later begonnen ze te bellen en druk te overleggen, in het Arabisch. We hoorden de woorden ‘Hollanders’ en ‘IS’ zeggen. Dan slaan je gedachten wel even op hol, er staat natuurlijk een hoop geld op onze hoofden en zij kunnen daar goed aan verdienen.” Of de angst terecht was, zal Theo nooit weten. “Het voelde gewoon niet goed, dus we belden een nummer van een ondergrondse kerk in de buurt om te vragen of we daar mochten slapen. Toen we vertrokken namen we een straatje links en een straatje rechts, bang om achtervolgd te worden. Tja, misschien zijn we wel ontkomen aan een kidnap, maar misschien ook niet.”

In de kerk ontmoeten ze een jongen die gevlucht is uit het Sinjar gebergte. “Dat was zeer bijzonder. Hij had dagenlang geleefd op voedselpakketten van Amerikanen en 8 dagen gelopen. Hij vertelde dat hij al heel zijn leven opgejaagd werd vanwege zijn geloof, maar dat hij er ondanks dat, alles voor over heeft. Als bekeerde christen had hij het ook bij zijn eigen Yezidi-familie verbruid. Toch houdt hij hoop, hij wil theologie studeren. Dat maakte heel veel indruk. We dachten: wat zijn wij voor mietjes. Wij voelden ons deze avond dan wel bang, maar deze jongen wordt zijn hele leven al verjaagd.”

In de zalen van de opvangcentra, die door de kerken gerund worden, zitten 250 mensen in een open ruimte. Hoewel de vluchtelingen inmiddels geen honger meer lijden, is het ontzettend zwaar. “Ze hebben twee dozen met spullen, een matrasje en een deken. Er zijn ontzettend veel jonge kinderen bij en iedere nacht hoor je die huilen. Jongens en meisjes zijn niet gewend bij elkaar te zijn en veel meisjes raken ineens zwanger. Het is een chaos.” De uitzichtloze situatie maakt Theo vooral moedeloos. “Het gaat nu al jaren zo. Iedereen is bang dat er over drie jaar weer een radicale groep is die ze wegjaagd. Daarom wil iedereen nu weg uit Irak, maar 1,8 miljoen mensen weg laten gaan is ook geen optie. Wat het voor deze mensen extra pijnlijk maakt: de meesten van ze hadden het goed. Ik hoorde verhalen van families met driehonderd schapen, mooie auto’s, een mooie business. En dan wordt alles kapotgemaakt en heb je weer niets. Voor de zoveelste keer in korte tijd.”

De moedeloosheid overheerst, toch noemt Theo de reis voor herhaling vatbaar. “Het zijn de kleine tekenen van liefde die het verschil maken. Toch denk ik nu ik terug ben: voorlopig maar even niet, want zo’n reis doet echt veel met je. Ik heb er echt door in de put gezeten. Maar ik zou het desondanks goed vinden als ook andere mensen dit gaan doen. We hebben in korte tijd heel veel gezinnen kunnen helpen, zowel praktisch als met spellen en gezelschap.”

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*