Jochem Vreugdenhil heeft zijn klassiekers brevet

Vier klassiekers in een week. Jochem Vreugdenhil draait er zijn hand niet voor om. Milaan-San Remo, Luik-Bastenaken-­Luik, Parijs-Roubaix, de 49-jarige Zoetermeerder heeft ze allemaal op zijn racefiets afgelegd. Nee, Vreugdenhil is geen professioneel wielrenner. Hij behoort tot het steeds groter wordende peloton van toerfietsers. Gelet op de bezieling en perfectie in materiaal kan echter haast van semi-professionalisme worden gesproken. Hoog op zijn verlanglijst staat voor Vreugdenhil het halen van zijn ‘klassiekers brevet’. Wat inhoudt dat hij dertien klassiekers moet hebben gereden: Ronde van Lombardije (210 km), Kampioenschap van Zurich (205 km), Waalse Pijl (216 km), Luik­-Bastenaken-Luik (231 km), Amstel Goldrace (243 km), Rund um den Henninger Turm (230 km), Ronde van’ Vlaanderen (200 km), Milaan-­San. Remo (285 km), Grote Herfst prijs- (213 km), Parijs-Brussel (282 km), Omloop het Volk (220 km), Parijs-Roubaix (245 km) en Gent-We­velgem (217 km).

Hier heeft Raas ook gereden
„Allemaal magische klanken en je moet ze eens hebben gereden”, weet Vreugdenhil. „Als jij van je sport houdt, dan moet dat je wat doen. Je rijdt op hetzelfde parcours als al die grote renners. Dan kun je zeggen: hier heeft Jan Raas ook gereden. Het geeft je wel degelijk een kick als je bij voorbeeld de wielerbaan van Rou­baix opdraait, aan het slot van Parijs-­Roubaix”. Van de Zaandamse toer club Le Champion heeft Vreugdenhil een fraai massief bord waarop na elke, gereden klassieker een plaatje wordt bevestigd. „Ik heb er nu elf gereden. De twee ontbrekende, Parijs-Brussel en de Grote Herfstprijs, komen er volgend jaar zeker bij”, verzekert Vreugdenhil, die in september in een tijdsbestek van een week liefst vier klassiekers reed.

Gek
Toerfietsen is voor Vreugdenhil al lang uitgegroeid tot meer dan een hobby. ;,Ja, hoewel ik niet precies kan uitleggen wat dat nu precies is. Je moet er in ieder geval een beetje gek voor zijn”, meent de Zoetermeerder, die over drie fietsen beschikt. Net als voor de professionals begint het seizoen voor de toerfietser ongeveer in maart. „En pas in de herfst is het afgelopen. Ik vind het altijd jammer, want het seizoen kan voor mij niet lang genoeg duren”. Met de bacil van het toerfietsen raakte Vreugdenhil pas echt vanaf 1979 besmet. „Ik kocht een fiets. Even later een wat betere en vervolgens een nog mooiere. Dat gaat automatisch. Je gaat het allemaal steeds professioneler benaderen. Dat moet wel vind ik, vooral als je al die buitenlandse ritten gaat rijden. In 1979 ben ik eerst met een kennis wat ritjes bij toerver­eniging Zoetermeer’77 gaan rijden. De eerste tocht was 90 kilometer. Die herinner ik mij nog goed. Ik had behoorlijk last van zadelpijn. Een beetje hard hé”.

„Je moet gek van fietsen zijn om aan die buitenlandse klassiekers te beginnen. Dat gaat toch even wat verder dan een tochtje naar de duinen. Je hebt dan ook binnen het toerfietsen verschillende groepen. Mensen die op gympies rijden op gewone fietsen tot de serieuze toerfietsers, met uitstekende racefietsen en goed materiaal. Ik reken mijzelf toch tot de laatste groep. Ik probeer binnen mijn mogelijkheden ook zo professioneel mogelijk bezig te zijn”.

„Ja, hoe begin je zoiets. Ik wist van tevoren al dat ik geen kleine ritjes wilde rijden. Grote toertochten, het serieuze werk dus. Eigenlijk is het vanzelf gegaan. Doordat ik naar mijn werk in Scheveningen altijd op de fiets ga, is dat al een goede training. Elke dag veertig kilometer, dat tikt toch aan. Zomer en winter ga ik op de fiets naar Scheveningen, behalve als het glad is. En kom ik onderweg een brommertje tegen, dan hang ik er achter. Al moet je niet te ver gaan natuurlijk. Buiten de stad gaat dat prima, maar in het centrum wordt het gevaarlijk. Al zie je inderdaad dagelijks toerfietsers de gevaarlijkste stunts uithalen om die brommer maar bij te houden”.

„Ik ben vrij snel naar het buitenland gegaan. Eerst maak je er grapjes over. Meedoen aan Luik­-Bastenaken-Luik. Je hebt de profkoers televisie gezien. En voordat je het weet, zit je midden in je eerste klassieker. Van die eerste keer herinner ik mij dat het heel erg koud was en behoorlijk zwaar. Al heel zag je groepen renners terugkeren, omdat ze het te koud vonden. De sneeuw lag langs de kant van de weg. Opeens reed ik lek. Krijg ik niet eens die band eraf, zo koud was het. Je weet ook niet wat je te wachten staat bij zo’n eerste klassieker. Het is allemaal nieuw”.

„Je voeding is natuurlijk erg belang­rijk. Ik had veel krentenbrood bij me. Dat eet ’s morgens nogal makkelijk weg. Daarna niet meer. Dan krijg je het niet meer door je keel heen. Nee, dan krijg ik alleen wat mueslirepen en chocolade naar binnen. Wat ook lekker is, zijn kippenpoten. Veel toer­fietsers halen het einde dankzij kip­penpoten. Je moet gewoon op tijd eten. Als je honger begint te krijgen, is het eigenlijk al te last. Voor je zo’n punt bereikt, moet je al naar de etenszak hebben gegrepen. Anders zou je he­lemaal in elkaar kunnen klappen. Dan kun je een enorme inzinking krijgen”.

„Luik-Bastenaken-Luik is best moeilijk hoor. Tot Bastogne niet zo, maar daarna wel. Neem de La Re­doute, een hele moeilijke berg met een stijgingspercentage van 18 tot 20 percent. Dan vraag je je zeker een paar keer af waar het eind is. En denk niet dat je altijd in een groepje rijdt. Nee, bij moeilijke stukken en lange koersen kom je vaak alleen te zitten. De een klimt nu eenmaal beter dan de ander. En dat is niet altijd even prettig”.

Nooit meer
Na Luik-Bastenaken-Luik zei Vreugdenhil dan ook tegen zichzelf: dit nooit meer. Nog geen vijf weken later reed hij de klassieker de Waalse Pijl. Het toerfietsen liet Vreugdenhil niet meer los. Zijn materiaal werd steeds beter en de tijd, die hij er aan besteedde ook. Zijn fiets moest uiter­aard piekfijn in orde zijn. „Als ik een rit door de regen heb gereden, dan is die fiets een dag later weer schoon. Dat moet je bijhouden. Goed materi­aal verdient een goede verzorging. Toerfietsen is een hobby die tijd kost. En het is duur ook”.

„Wat materiaal betreft ten minste, want je moet de ontwikkelingen bij­ houden. Qua training kost het niet zoveel. Een goede training is hardlo­pen, al gebruik je daar andere spie­ren voor dan fietsen. Ik heb al eens aan een kwarttriatlon meegedaan. Het is erg bevorderlijk voor je uit­houdingsvermogen op de fiets. Als ik ’s avonds heb gelopen, dan merk ik dat de volgende dag. Je hebt meer macht. Je fietst beter. Als je net terugkomt van een paar klassiekers, voel je je ijzersterk. Normaal rij ik in de stad op een versnelling van 52/18, maar dan kan ik ook op de ’14’ weg­trekken”, vertelt Vreugdenhil geest­driftig.

Het gesprek komt dan op het fanatis­me en het streven naar perfectie van de betere toerfietser. Ook Vreugden­hil meent dat het steeds professione­ler wordt. „Natuurlijk, maar dat is toch niet erg. Je moet op goed materi­aal rijden en goede kleding hebben. Ik reed in het begin al met een aero­dynamisch pak aan. Streven naar perfectie is goed, bereiken doe je het natuurlijk nooit”.

Tijdens toertochten valt de verbeten­heid van veel toerfietsers ook af te meten aan de (soms levensgevaarlij­ke) capriolen die ze uithalen. Wie heeft ze niet een keer voorbij zien schieten. Met veertig kilometer per uur, het lichaam diep gebogen over het stuur, het petje met de plaatselij­ke sponsor erop bijna op het wiel hangend en roepend: opzij, opzij, op­zij. Vreugdenhil knikt bevestigend. „Er worden soms gevaarlijke stunts uitgehaald. Maar het overgrote me­rendeel rijdt heel veilig hoor. Het is toch ook logisch dat je je een beetje meet met je maats. De serieuze toer­fietser is echt met een klassieker sei­zoen bezig, net als bij de profs. Vergis je daar niet in hoor. De concurrentie­strijd kan heftig zijn. Heb jij die al gereden, ben je daar al geweest? El­kaar proberen te overbluffen”.

Milieu
In het ‘keiharde’ milieu van de toer­fietsers is de collegialiteit echter ook groot. „Je helpt elkaar. Als je iemand tegenkomt die helemaal stuk zit, dan help je hem. Je zet hem wat uit de wind, je duwt hem. En als er een maat een lekke band krijgt, dan rij je zachtjes door. Het gaat er niet om dat je eerste wordt. Gezonde, onderlinge rivaliteit is goed, maar het moet niet te gek worden”, meent Vreugdenhil, die tussen neus en lippen zijn vrouw Rina zijn grootste sponsor noemt. „Zonder haar lukt het niet”.

Van alle klassiekers noemt Vreug­denhil de Ronde van Vlaanderen wel de zwaarste. „Ik vind hem zwaarder dan Parijs-Roubaix. Neem de Koppenberg. Daar struikelt iede­re toerfietser. De Amstel Goldrace is ook moeilijk. Ik had nog nooit van de Koning van Spanje gehoord, maar hij bestaat toch echt. Een hele lastige bult”.

Milaan-San Remo is vooral in de eerste 150 kilometer een zenuwentoestand. Met ruim 4.000 deelne­mers en allemaal gekke Italianen. Die willen allemaal van voren zitten. Dat peloton schuift elke keer als een harmonica in elkaar als je door een dorpje komt. De Waalse Pijl is niet zo lang, maar wel heel zwaar”, vertelt Vreugdenhil, die Luik-Bastenaken-Luik inmiddels drie keer heeft gere­den, net als de Amstel Goldrace. Voor de nog ontbrekende twee klas­siekers op zijn brevet is Vreugdenhil niet bang. Die worden volgend jaar gereden. „Dat is pas in september. Met de Grote Herfstprijs overnacht je in het hotel van Joop Zoetemelk. Dat is toch gaaf? Dan weet je zeker dat je goed te eten krijgt”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*