Dennis Vreugdenhil korfbalspeler

dennis_veugdenhil_001DELFT

Aan zijn laatste wereldkampioenschap korfbal, in 1991, bewaart Hans Heemskerk slechte herinneringen. Tien seconden voor het einde miste hij als aanvoerder van de Nederlandse ploeg in Antwerpen een strafworp, waardoor België er met de wereldtitel van doorging (11-10). Het was zijn 28ste interland, zijn laatste ook. Twaalf jaar later levert Hans Heemskerk als coach van landskampioen Fortuna Delft vijf van de veertien spelers aan Oranje dat volgende week op het zevende WK voor de zesde keer wereldkampioen wil worden. “Het hadden er ook zeven kunnen zijn”, vindt Heemskerk (43). “Dennis Vreugdenhil en Barry Schep zijn potentiële internationals.” Het ontbreken van Vreugdenhil in Oranje is een raadsel voor Heemskerk. “Die hoort er absoluut bij. Dennis is een van de beste aanvallers in Nederland. Hij heeft last gehad van een dubbele hernia, misschien speelt dat mee.”

Promotie
Heemskerk gaat er van uit dat andere motieven een rol speelden in de selectieprocedure van bondscoach Jan Sjouke Van den Bos. “Het WK is meer dan een wereldtitel. Het is ook een vorm van promotie, van demonstratie van het korfbal. In die optiek is het niet vreemd dat Van den Bos gekozen heeft voor veteranen als Poelstra en Voshart.”
In de ogen van Heemskerk zijn beide 33-jarige spelers over hun top heen. “Voshart is dik ‘over the hill’. Poelstra blijft een smaakmaker. Ik gun die jongens dit afscheid wel.”
Als speler was Heemskerk een topper. Een lastige jongen voor scheidsrechters en trainers. Stronteigenwijs.
“Daardoor”, zegt hij met een glimlach, “kan ik zo goed omspringen met de lastige jongens in mijn selectie.”
Boos wordt hij nooit. Hij probeert alle aanvaringen met humor, met een dolletje op te lossen. “Ik ben vrij direct en duidelijk. Dat helpt wel. Ik mag voor buitenstaanders soms een boeman lijken, mijn spelersgroep weet beter.”
Heemskerk is verslaafd aan korfbal. “Het is een uit de hand gegroeide hobby. Als ik er mijn beroep van kan maken, doe ik dat onmiddellijk. Zeg ik vandaag mijn baan als docent op.”
Hij ambieert de functie van bondscoach. “Een moordbaan”, maar weet dat de verbintenis van Van den Bos nog tot media 2005 doorloopt. “Allemaal haantjes, die internationals. Moordende concurrentiestrijd om acht plaatsen. Prachtig! Wat een uitdaging om daar één team van te maken!”
Hij kan zich voorstellen dat Van den Bos communicatietrainingen hield om de omgang tussen de spelers te verbeteren.
“Elk team draait op onderling respect, op erkenning, prestige. In elk team bestaat een hiërarchie. Ook in het Nederlands team. De leiders komen vanzelf bovendrijven. Kwestie van natuurlijke uitstraling. Leon Simons is zo’n type. Joost Preuninger ook.”

Klasse
Voor Leon Simons gaat Heemskerk naar een korfbalwedstrijd. “Heel speciale speler, zeldzame klasse.” Nog net niet de Johan Cruijff van het korfbal. “Dat waren Erik Wolsink en Mireille Fortuin. Die hadden iets extra’s, die gaven een extra dimensie aan het korfbal. Leon Simons zit daar vlak onder. Hij hoeft niet op elke training de planken uit de vloer te lopen. In de wedstrijd moet hij er staan. Dat is de kunst van het coachen: spelers optimaal laten renderen.”
Natuurlijk wordt Nederland volgende week in Ahoy’ wereldkampioen. Dat weet Heemskerk ook wel. Zelf maakte hij drie WK’s mee. In 1983 zat hij als reserve op de bank bij de Nederlandse ploeg, vier jaar later maakte hij deel uit van de ploeg die wereldkampioen werd in Ahoy’ en in ’91 zou hij in Antwerpen zijn loopbaan als international afsluiten met de tweede wereldtitel. Tot tien seconden voor het einde.